Richtlijn 2009/30/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2009 tot wijziging van Richtlijn 98/70/EG met betrekking tot de specificatie van benzine, dieselbrandstof en gasolie en tot invoering van een mechanisme om de emissies van broeikasgassen te monitoren en te verminderen, tot wijziging van Richtlijn 1999/32/EG van de Raad met betrekking tot de specificatie van door binnenschepen gebruikte brandstoffen en tot intrekking van Richtlijn 93/12/EEG (1)

 
GRATIS UITTREKSEL

L 140/88 NL Publicatieblad van de Europese Unie 5.6.2009

RICHTLIJN 2009/30/EG VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

van 23 april 2009

tot wijziging van Richtlijn 98/70/EG met betrekking tot de specificatie van benzine, dieselbrandstof en gasolie en tot invoering van een mechanisme om de emissies van broeikasgassen te monitoren en te verminderen, tot wijziging van Richtlijn 1999/32/EG van de Raad met betrekking tot de specificatie van door binnenschepen gebruikte brandstoffen en tot intrekking van Richtlijn 93/12/EEG

(Voor de EER relevante tekst)

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, inzonderheid artikel 95 en artikel 175, lid 1, met betrek­king tot artikel 1, punt 5, en artikel 2 van deze richtlijn,

Gezien het voorstel van de Commissie,

Gelet op het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité

(1)

(2)

,

Na raadpleging van het Comité van de Regio's,

Handelend volgens de procedure van artikel  251 van het Verdrag

,

Overwegende hetgeen volgt:

(1) Bij Richtlijn 98/70/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13  oktober  1998 betreffende de kwaliteit van benzine en van dieselbrandstof

(3)

zijn om volksgezondheids- en milieuredenen minimumspecificaties vastgesteld voor benzine en dieselbrandstof voor gebruik in het wegvervoer en in niet voor de weg bestemde mobiele machines.

(2) Een van de doelstellingen neergelegd in het zesde milieuactieplan van de Europese Gemeenschap, dat is opgesteld bij Besluit nr. 1600/2002/EG van het Europees Parlement en de Raad

(4)

, is het bereiken van luchtkwaliteitsniveaus die geen significante negatieve effecten en risico's voor de volksgezondheid en het milieu tot gevolg hebben. In haar aan Richtlijn 2008/50/EG van het Europees Parlement en de Raad van 21 mei 2008 betreffende de luchtkwaliteit en schonere lucht voor Europa

(5)

gehechte verklaring, erkende de Commissie dat er alleen wezenlijke vooruitgang kan worden geboekt met de doelstellingen van het zesde milieuactieprogramma als de emissie van schadelijke luchtverontreinigende stoffen wordt verminderd, en kondigde zij met name nieuwe wetgevingsvoorstellen aan met het oog op een verdere vermindering van de in de lidstaten toegelaten emissies van de belangrijkste verontreinigende stoffen, de emissies die samenhangen met het tanken van benzinevoertuigen bij tankstations, alsmede de aanpak van het zwavelgehalte van brandstoffen, waaronder scheepsbrandstof.

(3) In het kader van het Kyotoprotocol heeft de Gemeenschap zich verbonden tot streefcijfers inzake de emissie van broeikasgassen voor de periode 2008-2012. De Gemeenschap heeft zich ook verplicht tot een vermindering van de broeikasgasemissies met 30 % uiterlijk in 2020 in het kader van een mondiaal akkoord, en tot een unilaterale vermindering met 20 %. Alle sectoren zullen een bijdrage moeten leveren om deze doelstellingen te verwezenlijken.

(4) Eén aspect van de broeikasgasemissies door de vervoer­sector is aangepakt via het Europees beleid inzake de CO2-emissies van auto's. De verbranding van brandstoffen in het vervoer draagt aanzienlijk bij tot de totale emissie van broeikasgassen door de Gemeenschap. Monitoring en vermindering van de broeikasgasemissies gedurende de levenscyclus van bedoelde brandstoffen kan ertoe bijdragen dat de Gemeenschap haar doelstellingen voor broeikasgasemissiereductie haalt door transportbrandstoffen meer koolstofvrij te maken.

(5) De Gemeenschap heeft regelgeving aangenomen om de emissies van verontreinigende stoffen door zware en lichte vrachtwagens te beperken. Specificatie van de gebruikte brandstoffen is een factor die het gemak beïnvloedt waarmee aan dergelijke emissiegrenswaarden kan worden voldaan.

(6) Een afwijking van de maximale benzinedampspanning in de zomer moet worden beperkt tot lidstaten die in de zomerperiode lage omgevingstemperaturen hebben. Der­halve moet worden aangegeven in welke lidstaten een afwijking wordt toegestaan. Dit zijn in beginsel de lidstaten waar de gemiddelde temperatuur voor het grootste deel van hun grondgebied gedurende ten minste twee van de drie maanden juni, juli en augustus minder dan 12 °C bedraagt.

(7) Bij Richtlijn 97/68/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16  december  1997 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de lidstaten inzake maatregelen tegen de uitstoot van verontreinigende gassen en deeltjes door inwendige verbrandingsmotoren die worden gemonteerd in niet voor de weg bestemde mobiele machines

(6)  PB L 59 van 27.2.1998, blz. 1.

(6)

zijn emissiegrenswaarden vastgesteld voor motoren van niet voor de weg bestemde mobiele machines. Er moet brandstof worden geleverd die een goede functionering van bedoelde motoren mogelijk maakt.

(8) De verbranding van brandstoffen voor het wegvervoer is verantwoordelijk voor ongeveer 20 % van de emissie van broeikasgassen in de Gemeenschap. Eén van de methoden om deze broeikasgasemissies terug te dringen, is bedoelde emissies te verminderen gedurende de levenscyclus van

(1)  PB C 44 van 16.2.2008, blz. 53.

(2)  Advies van het Europees Parlement van 17 december 2008 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad) en besluit van de Raad van 6 april 2009.

(3)  PB L 350 van 28.12.1998, blz. 58.

(4)  PB L 242 van 10.9.2002, blz. 1.

(5)  PB L 152 van 11.6.2008, blz. 43.

5.6.2009 NL Publicatieblad van de Europese Unie L 140/89

deze brandstoffen. Dit kan op diverse manieren gebeuren. Gezien het streven van de Gemeenschap naar een verdere verlaging van de emissie van broeikasgassen en het grote aandeel dat het wegvervoer heeft in deze emissies, is het passend een mechanisme vast te stellen waarbij van brandstofleveranciers wordt geëist dat zij rapporteren over de broeikasgasemissies gedurende de levenscyclus van de door hen geleverde brandstoffen en dat zij deze emissies vanaf 2011 verminderen. De methode voor de berekening van de broeikasgasemissies van biobrandstoffen gedurende de levenscyclus dient gelijk te zijn aan die welke wordt vastgesteld voor de doeleinden van de berekening van het effect van biobrandstoffen in het kader van Richtlijn 2009/28/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2009 ter bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen

(1)

.

(9) De leveranciers dienen de broeikasgasemissies gedurende de levenscyclus per eenheid energie van geleverde brand­stof en energie voor 31  december  2020 stapsgewijs met maximaal 10 % te verminderen. Deze vermindering moet uiterlijk op 31  december  2020 ten minste 6 % bedragen ten opzichte van het in 2010 gerapporteerde gemiddelde EU-niveau van emissies van broeikasgassen per eenheid energie uit fossiele brandstoffen gedurende de levenscyclus van die brandstoffen, door middel van het gebruik van biobrandstoffen, alternatieve brandstoffen en de vermindering van het affakkelen en ontluchten in olieproductieinstallaties. Door middel van een herziening moet er een verdere vermindering met 2 % worden bereikt door gebruikmaking van milieuvriendelijke technologieën voor koolstofvastlegging en -opslag en van elektrische voertuigen, en nog eens 2 % via de aankoop van kredieten in het kader van het mechanisme voor schone ontwikkeling in het kader van het Kyotoprotocol. Deze aanvullende verminderingen moeten bij de inwerkingtreding van deze richtlijn niet bindend zijn voor lidstaten of brandstofleveranciers. Bij de herziening moet het niet-bindende karakter aan de orde worden gesteld.

(10) Biobrandstoffen moeten op duurzame wijze worden geproduceerd. Biobrandstoffen die worden gebruikt om de broeikasreductiedoelstellingen van deze richtlijn te verwezenlijken, dienen derhalve te beantwoorden aan duurzaamheidscriteria. Om de samenhang tussen energieen milieubeleid te verzekeren en te vermijden dat een onsamenhangende aanpak tot extra kosten voor het bedrijfsleven en tot incoherentie van de milieumaatregelen zou leiden, is het van essentieel belang dat de duurzaamheids­criteria voor het gebruik van biobrandstoffen worden gehanteerd voor de doeleinden van deze richtlijn, gelijk zijn aan die welke voor de doeleinden van Richtlijn 2009/28/EG worden gebruikt. Om dezelfde reden moet dubbele rapportage in deze context worden vermeden. Voorts moeten de Commissie en de bevoegde nationale autoriteiten hun activiteiten coördineren in het kader van een comité dat specifiek verantwoordelijk is voor duurzaamheidskwesties.

(11) De toename van de wereldwijde vraag naar biobrandstoffen en de bij deze richtlijn vastgestelde stimulansen voor het gebruik ervan mogen niet leiden tot de vernietiging van gebieden metgrote biodiversiteit. Deze beperkte reserves, die in diverse internationale instrumenten als waardevol voor de gehele mensheid zijn erkend, moeten worden beschermd. Gebruikers in de Gemeenschap zouden het bovendien moreel onaanvaardbaar vinden als de toename van hun gebruik van biobrandstoffen zou leiden tot de vernietiging van gebieden met grote biodiversiteit. Het is dan ook noodzakelijk duurzaamheidscriteria vast te stellen om te garanderen dat biobrandstoffen voor stimuleringsmaatregelen alleen in aanmerking kunnen komen wanneer kan worden gewaarborgd dat zij niet afkomstig zijn van gebieden met grote biodiversiteit of wanneer de bevoegde autoriteiten ten aanzien van voor natuurbescherming of voor de bescherming van zeldzame, kwetsbare of bedreigde ecosystemen of soorten aangewezen gebieden, geldig bewijs verstrekken dat het verbouwen van de grondstoffen niet in strijd is met deze doelstellingen. Volgens de gekozen duurzaamheidscriteria hebben bossen een grote biodiversiteit als het gaat om oerbossen, volgens de definitie die gebruikt wordt door de Voedsel- en Landbouworganisatie van de Verenigde Naties (FAO) in haar raming van het wereldbosbestand (Global Forest Resource Assessment), die wereldwijd door landen wordt gehanteerd om de omvang van hun oerbos weer te geven, of om bossen die door de nationale natuurbeschermingswetgeving zijn beschermd. Tevens vallen hieronder...

Om verder te lezen

PROBEER HET UIT