Richtlijn 98/37/EG van het Europees Parlement en de Raad van 22 juni 1998 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de lidstaten betreffende machines
23.7.98
NL Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen L 207/1
I
(Besluiten waarvan de publicatie voorwaarde is voor de toepassing)
RICHTLIJN 98/37/EG VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD
van 22 juni 1998
inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de lidstaten betreffende machines
HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DEEUROPESE UNIE,
Gelet op het Verdrag tot oprichting van de EuropeseGemeenschap, inzonderheid op artikel 100 A,
Gezien het voorstel van de Commissie,
Gezien het advies van het Economisch en Sociaal Comité (1),
Volgens de procedure van artikel 189 B van het Ver-drag (2),
(1) Overwegende dat Richtlijn 89/392/EEG van deRaad van 14 juni 1989 inzake de onderlinge aan-passing van de wetgevingen van de lidstaten betreffende machines (3) herhaaldelijk en ingrijpend isgewijzigd; dat zij derhalve zowel om redenen vanrationele ordening van de tekst als om redenen vanduidelijkheid dient te worden gecodificeerd;
(2) Overwegende dat de interne markt een ruimte zonder binnengrenzen omvat waarin het vrije verkeervan goederen, personen, diensten en kapitaal isgewaarborgd;
(3) Overwegende dat de sector machinebouw eenbelangrijk deel vormt van de sector werktuigbouwen als industrie een centrale plaats inneemt in deeconomie van de Gemeenschap;
(4) Overwegende dat de sociale kosten die voortvloeienuit het grote aantal ongevallen dat rechtstreeks hetgevolg is van het gebruik van machines, kunnen
(1) PB C 133 van 28.4.1997, blz. 6.(2) Advies uitgebracht door het Europees Parlement op 17 september 1997 (PB C 304 van 6.10.1997, blz. 79), gemeenschappelijk standpunt van 24 maart 1998 (PB C 161 van27.5.1998, blz. 54), besluit van het Europees Parlement van30 april 1998 (PB C 152 van 18.5.1998) en besluit van deRaad van 25 mei 1998.(3) PB L 183 van 29.6.1989, blz. 9. Richtlijn laatstelijk gewijzigdbij Richtlijn 93/68/EEG (PB L 220 van 30.8.1993, blz. 1).
worden verlaagd door de veiligheid in het ontwerpen de bouw van de machines zelf te integreren,alsmede door behoorlijke installatie en onderhoud;
(5) Overwegende dat het de taak van de lidstaten is omop hun grondgebied zorg te dragen voor de veiligheid en gezondheid van personen - en, in voorko-mend geval, huisdieren en voor de veiligheid van degoederen - en in het bijzonder die van de werknemers, met name waar het gaat om de risico's dievoortvloeien uit het gebruik van machines;(6)
Overwegende dat de wettelijke regelingen in delidstaten op het gebied van ongevalspreventie zeersterk verschillen; dat de dwingende bepalingen opdit gebied, die vaak worden aangevuld met technische specificaties die in feite verplichtingen inhouden en/of met normen met een vrijwillig karakter,niet noodzakelijkerwijs tot verschillende veiligheidsen gezondheidsniveaus leiden, maar vanwege hunongelijkheid handelsbelemmeringen binnen de Gemeenschap vormen; dat bovendien de nationaleregelingen op het gebied van overeenstemmingsverklaring en certificatie voor machines aanzienlijkverschillen;
(7) Overwegende dat de bestaande nationale bepalingen op het gebied van veiligheid en gezondheid, diemoeten zorgen voor bescherming tegen de aanmachines verbonden risico's, onderling moetenworden aangepast om het vrije verkeer van machines te waarborgen, zonder dat dit tot verlaging leidtvan de in de lidstaten bestaande en gerechtvaardigde beschermingsniveaus; dat er naast de in dezerichtlijn opgenomen bepalingen inzake het ontwerpen de bouw van machines, die voor het strevennaar een veiligere werkomgeving van fundamenteelbelang zijn, bijzondere bepalingen zullen wordenvastgesteld ter voorkoming van bepaalde gevarenwaaraan de werknemers tijdens hun werk kunnenworden blootgesteld, alsook bepalingen die zijngebaseerd op de organisatie van de veiligheid vande werknemers op de arbeidsplaats;
(8) Overwegende dat het Gemeenschapsrecht in zijnhuidige stand bepaalt dat, in afwijking van één vande grondregels van de Gemeenschap, te weten vrijheid van verkeer van goederen, belemmeringen van
het handelsverkeer binnen de Gemeenschap alsgevolg van verschillen in de nationale wetgevingenmet betrekking tot de commercialisering van producten moeten worden aanvaard, voorzover dezevoorschriften kunnen worden aangemerkt als noodzakelijk om te kunnen voldoen aan dwingendeeisen;
(9) Overwegende dat het Witboek inzake de voltooiingvan de interne markt, dat in juni 1985 door deEuropese Raad is goedgekeurd, in de paragrafen 65en 68 voorziet in toepassing van de nieuwe aanpakop het gebied van de onderlinge aanpassing van dewetgevingen; dat derhalve harmonisatie van wetgevingen in dit geval beperkt moet blijven tot devoorschriften die nodig zijn om te kunnen voldoenaan de dwingende en fundamentele eisen die op hetvlak van veiligheid en gezondheid aan machinesworden gesteld; dat deze eisen vanwege hun fundamenteel karakter in de plaats moeten komen van denationale voorschriften op dit gebied;
(10) Overwegende dat handhaving of verbetering vanhet in de lidstaten bereikte veiligheidsniveau eenvan de hoofddoeleinden vormt van deze richtlijn envan de veiligheid als omschreven in de fundamentele voorschriften;
(11) Overwegende dat de werkingssfeer van deze richtlijn gebaseerd moet zijn op een algemene definitievan de term "machine", teneinde de technischeevolutie van de fabricage mogelijk te maken; dat deontwikkeling van complexe installaties alsmede derisico's die deze opleveren, van vergelijkbare aardzijn, waarmee hun expliciete opname in de richtlijnwordt gerechtvaardigd;
(12) Overwegende dat bepalingen moeten worden vast-gesteld voor veiligheidscomponenten die afzonderlijk op de markt worden gebracht en waarvoor defabrikant of zijn in de Gemeenschap gevestigdegevolmachtigde opgeeft welke veiligheidsfunctie zijvervullen;
(13) Overwegende dat het mogelijk moet zijn op jaarbeurzen, exposities enz., machines ten toon te stellen die niet in overeenstemming zijn met de richtlijn; dat het wel gewenst is dat geïnteresseerdenduidelijk worden ingelicht over het feit datgenoemde machines niet aan de normen voldoen enniet verkrijgbaar zijn in de staat waarin zij wordententoongesteld;
(14) Overwegende dat voor het bewerkstelligen van deveiligheid van de machines naleving van de fundamentele veiligheids- en gezondheidsvoorschrifteneen dwingende eis is; dat de toepassing van dezevoorschriften oordeelkundig moet gebeuren in diezin dat rekening moet worden gehouden met destand van de techniek ten tijde van de bouw,alsmede met technische en economische eisen;
(15) Overwegende dat het in bedrijf nemen van demachine als bedoeld in deze richtlijn uitsluitend kanslaan op het gebruik van de machine zelf voor hetdoor de fabrikant beoogde doel; dat hiermee nietwordt vooruitgelopen op de eventuele omgevings-
condities die met betrekking tot het gebruik van demachine zouden kunnen worden voorgeschreven,mits deze condities niet tot gevolg hebben dat demachine afwijkingen krijgt ten opzichte van debepalingen van deze richtlijn.
(16) Overwegende dat niet alleen het vrije verkeer en hetin bedrijf stellen van machines die voorzien zijn vande CE-markering en de EG-verklaring van overeen-stemming dient te worden verzekerd, maar even-eens het vrije verkeer van machines die niet voorzien zijn van de CE-markering, wanneer het debedoeling is dat zij in een andere machine wordeningebouwd, dan wel met andere machines wordensamengebouwd tot een complexe installatie;
(17) Overwegende dat deze richtlijn derhalve alleen algemene fundamentele eisen op het gebied van veiligheid en gezondheid geeft, die worden aangevuldmet een reeks meer specifieke voorschriften voorbepaalde categorieën machines; dat het, om hetvoor de fabrikanten gemakkelijker te maken aan tetonen dat is voldaan aan de fundamentele eisen,gewenst is dat er op Europees niveau geharmoniseerde normen op het gebied van risicopreventie bijhet ontwerp en de bouw van machines zijn dietevens de controle op de overeenstemming met defundamentele eisen mogelijk moeten maken; datdeze op Europees niveau geharmoniseerde normenworden opgesteld door particuliere instellingen endat zij hun karakter van niet-verbindende tekstdienen te behouden; dat de Europese Commissievoor Normalisatie (CEN) en het Europees Comitévoor Elektrotechnische Normalisatie (Cenelec)daartoe erkend zijn als bevoegde instellingen voorde vaststelling van geharmoniseerde normen over-eenkomstig de op 13 november 1984 ondertekendealgemene richtsnoeren voor de samenwerking tussen de Commissie en deze beide instellingen; dat indeze richtlijn onder een geharmoniseerde normwordt verstaan een technische specificatie (Europesenorm of harmonisatiedocument) die door éénvan beide of beide instellingen is aangenomenin opdracht van de Commissie, overeenkomstigde bepalingen van Richtlijn 83/189/EEG (1), en uithoofde van bovengenoemde algemene richtsnoeren;
(18) Overwegende dat het wettelijk kader diende teworden verbeterd om werkgevers en werknemersop doeltreffende en geschikte wijze bij het normalisatieproces te kunnen betrekken;
(19) Overwegende dat de verantwoordelijkheid van delidstaten voor de veiligheid, de gezondheid enandere onder de fundamentele eisen vallende aspecten op hun grondgebied, erkend moet worden ineen vrijwaringsclausule die voorziet in adequatecommunautaire beschermingsprocedures;
(1) Richtlijn 83/189/EEG van de Raad van 28 maart 1983betreffende een informatieprocedure op het gebied van normen en technische voorschriften (PB L 109 van 26.4.1983,blz. 8). Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Beschikking 96/139/EG van de Commissie (PB L 32 van 10.2.1996,blz. 31).
23.7.98
(20) Overwegende dat het gewenst is - zoals momenteel in de lidstaten algemeen gebruikelijk is - defabrikanten voor eigen verantwoordelijkheid verklaringen te laten opstellen inzake de overeenstemmingvan hun machines met de fundamentele eisen; datde overeenstemming met geharmoniseerde normeneen vermoeden van overeenstemming met de desbetreffende fundamentele eisen vormt; dat het defabrikant volkomen vrij staat om, indien hij ditnodig acht, door derden keuringen en...
Om verder te lezen
PROBEER HET UIT




