BESLUIT Nr. 541/2014/EU VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD van 16 april 2014 tot oprichting van een ondersteuningskader voor ruimtebewaking en monitoring

 
GRATIS UITTREKSEL

27.5.2014    NL Publicatieblad van de Europese Unie L 158/227

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 189, lid 2,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité (1),

Na raadpleging van het Comité van de Regio's,

Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure (2),

Overwegende hetgeen volgt:

(1) In haar mededeling van 4 april 2011, getiteld „Naar een ruimtevaartstrategie van de Europese Unie ten dienste van de burger”, onderstreepte de Commissie dat de gemeenschappelijke bevoegdheid op het gebied van de ruimtevaart, welke krachtens het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) aan de Unie toekomt, hand in hand gaat met een versterkt partnerschap met de lidstaten. De Commissie benadrukte ook dat alle nieuwe acties gebaseerd moeten zijn op bestaande middelen en op het gezamenlijk bepalen waar nieuwe middelen nodig zijn.

(2) In zijn resolutie van 26 september 2008, getiteld „Vooruitgang boeken met het Europees ruimtevaartbeleid” (3), herinnerde de Raad eraan dat ruimtevaartproducten onmisbaar zijn geworden voor onze economie en dat de veiligheid daarvan moet worden gewaarborgd. Hij onderstreepte dat „Europa […] moet zorgen voor een Europees vermogen voor monitoring en bewaking van zijn ruimtevaartinfrastructuur en van ruimteschroot, dat in eerste instantie op de bestaande nationale en Europese middelen steunt en waarbij de betrekkingen worden benut die met andere partnerlanden en hun vermogens kunnen worden aangeknoopt”.

(3) In zijn resolutie van 25 november 2010, getiteld „Mondiale uitdagingen: volledig benutten van de Europese ruimtesystemen”, onderkende de Raad de behoefte aan een toekomstig vermogen voor omgevingsbewustzijn in de ruimte (space situational awareness, SSA) als activiteit op Europees niveau, om de bestaande nationale en Europese civiele en militaire systemen te ontwikkelen en te benutten, en verzocht hij de Commissie en de Raad een governanceregeling en een gegevensbeleid op te zetten dat de lidstaten in staat zal stellen hieraan bij te dragen met in aanmerking komende nationale vermogens overeenkomstig de vigerende beveiligingseisen en -voorschriften. Verder werden „alle Europese institutionele actoren verzocht passende maatregelen te verkennen” die gebaseerd zijn op welomschreven civiele en militaire gebruikerseisen, die gebruikmaken van dergelijke systemen overeenkomstig de toepasselijke beveiligingseisen en die inspelen op het werk in het kader van het SSA-voorbereidingsprogramma van het Europees Ruimteagentschap (ESA).

(4) In de conclusies van de Raad van 31 mei 2011 over de mededeling van de Commissie getiteld „Naar een ruimtevaartstrategie van de Europese Unie ten dienste van de Europese burger” en in de resolutie van de Raad van 6 december 2011 getiteld „Beleidslijnen over de toegevoegde waarde en de voordelen van de ruimte voor de veiligheid van Europese burgers” (4) werd herhaald „dat een doeltreffend SSA-vermogen, in de zin van een activiteit op Europees niveau, nodig is”, en werd de Unie opgeroepen „zo ruim mogelijk gebruik te maken van de systemen, competenties en vaardigheden die in de lidstaten en op Europees en, naargelang van het geval, op internationaal niveau reeds bestaan of in ontwikkeling zijn”. Indachtig het feit dat van een dergelijk systeem tweeërlei gebruik zou worden gemaakt en de bijzondere beveiligingsdimensie ervan, riep de Raad de Commissie en de Europese Dienst voor extern optreden (EDEO) op om, in nauwe samenwerking met ESA en de lidstaten die dergelijke systemen in eigendom hebben en over capaciteit beschikken, en in overleg met alle betrokken actoren, voorstellen aan te dragen om de systemen en de capaciteit ten volle te exploiteren, met het oog op de ontwikkeling van een SSA-vermogen, in de zin van een activiteit op Europees niveau, en in dat verband een passende governance en een passend gegevensbeleid te definiëren die recht doen aan het zeer gevoelige karakter van SSA-gegevens.

(5) SSA wordt gewoonlijk onderverdeeld in drie hoofddomeinen: ruimtebewaking en -monitoring (Space Surveillance and Tracking, SST), het waarnemen en voorspellen van ruimteweersverschijnselen, en aardscheerders. De activiteiten op deze gebieden zijn erop gericht infrastructuren in en van de ruimte te beschermen. Dit besluit, dat betrekking heeft op SST, dient de synergie tussen deze domeinen te bevorderen.

(6) Teneinde het risico op botsingen te verkleinen, zou de Unie ook trachten synergieën te bewerkstelligen met initiatieven voor actieve verwijdering of passivering van ruimteschroot, zoals het initiatief van ESA.

(7) Ruimteschroot is inmiddels een ernstige bedreiging voor de beveiliging, de veiligheid en de haalbaarheid van ruimtevaartactiviteiten. Er dient dan ook een ondersteuningskader voor SST te worden opgezet om de instelling en exploitatie van diensten voor de monitoring en bewaking van voorwerpen in de ruimte te ondersteunen, teneinde schade aan ruimtevaartuigen ten gevolge van botsingen en de verspreiding van ruimteschroot te voorkomen, en om banen en terugkeertrajecten te voorspellen, teneinde regeringen en instanties voor civiele bescherming zo goed mogelijk te informeren in het geval intacte ruimtevaartuigen of ruimteschroot op ongecontroleerde wijze in de dampkring van de aarde terugkeren.

(8) Het SST-ondersteuningskader dient bij te dragen tot het waarborgen van de beschikbaarheid op lange termijn van Europese en nationale ruimtevaartinfrastructuurfaciliteiten en diensten die essentieel zijn voor de veiligheid en de beveiliging van de Europese economie, maatschappij en burgers.

(9) De verstrekking van SST-diensten is in het belang van alle openbare en particuliere exploitanten van infrastructuur in de ruimte, met inbegrip van de Unie, gelet op de verantwoordelijkheden van de Unie voor de ruimtevaartprogramma's van de Unie, in het bijzonder de Europese programma's voor satellietnavigatie Galileo en Egnos welke zijn opgericht bij Verordening (EU) nr. 1285/2013 van het Europees Parlement en de Raad (5), alsmede het Copernicusprogramma dat is opgericht bij Verordening (EU) nr. 377/2014 van het Europees Parlement en de Raad. (6) Ook nationale overheden die belast zijn met civiele bescherming zullen profijt trekken uit vroegtijdige waarschuwingen voor ongecontroleerde terugkeer van objecten en uit informatie over het vermoedelijke tijdstip en inslaggebied. Die diensten kunnen ook nuttig zijn voor andere gebruikers zoals particuliere verzekeraars bij het ramen van de mogelijke aansprakelijkheid ten gevolge van botsingen tijdens de levensduur van een satelliet. Daarnaast dient voor de lange termijn te worden overwogen om te kunnen beschikken over een dienst voor gratis toegankelijke en herbruikbare openbare informatie over orbitale elementen van ruimteobjecten die zich in een baan om de aarde bevinden.

(10) De SST-diensten dienen een aanvulling te vormen op de onderzoeksactiviteiten in verband met de bescherming van in de ruimte gestationeerde infrastructuur die plaatsvinden in het kader van Horizon 2020 als ingesteld bij Verordening (EU) nr. 1291/2013 van het Europees Parlement en de Raad (7), de vlaggenschipprogramma's van de Unie op ruimtegebied (Copernicus en Galileo), de digitale agenda...

Om verder te lezen

PROBEER HET UIT